zaterdag 21 juli 2018

Bubblegum

Ik heb het nooit gekund, van die ronde bellen blazen met een stukje kauwgom in mijn mond. Klapkauwgum noemden we dat toen. Kauwgum die in je gezicht uit elkaar kon klappen als je er een grote bel van blies.
Het heette anders, het heette met een engels woord 'bubblegum'. Een grappig woord in essentie, grappig in de huidige tijd.

We leven in een bubbel. Ieder in zijn eigen bubbel. Een luchtbel waarbinnen alles glimt en glanst en ons vertrouwenwekkend toelacht. De sfeer is opgeklopt en kunstmatig, maar wij wanen ons in een gouden wereld vol veilige vertrouwdheid, waarin alles is zoals het is en doet wat het behoort te doen en alles klopt omdat het klopt.
Die wereld kan zomaar uitgegumd worden. Als de stroom uitvalt bijvoorbeeld. Of als je telefoon buiten bereik van een signaal is. Of wanneer je apparatuur het begeeft en een reparatie nodig heeft.
Dan is de bubbel geknapt, leef je ineens buiten de bubbel.

Ik heb het nooit gekund, bellen blazen.
Ik kan het nog steeds niet, bellen blazen.
Ook niet in de huidige wereld.

Ik voel me er ongemakkelijk bij. Heb dan het idee dat er van alles is dat ik niet zien kan, omdat ik gevangen zit in een bubbel van gelijkvormigheid en eenstemmigheid en schijnharmonie omdat iedereen het eens lijkt te zijn en die mening in andere bewoordingen nog maar eens fijn herhaalt tegen iemand die dezelfde mening al is toegedaan, er slechts andere woorden voor koos.
De uniciteit van ieder mens wordt geweld aangedaan in de bubbel. De mogelijkheden buiten de bubbel worden eenstemmig ontkend door het koor van gelijkluidende stemmen, dat hooguit een harmonieuze vierstemmigheid horen laat, die uiteindelijk hetzelfde verwoorden op hoge of lage toon.

Ik hield wel van kauwgum, maar vond Stimorol de betere soort. Die was niet bedoeld om bellen te blazen en had in zijn klank iets vriendelijk stimulerends dat me wel aansprak, taalgevoelig als ik ben.
De bubblegum was niet alleen vanwege de bel die je er mee kon blazen niet naar mijn smaak, het ws ook vanwege de zoete smaak die me niet bepaald kon bekoren. Ik ben geen zoetekauw, al eet ik net als iedereen genoeg zoetigheid. Niet als zoethoudertjes, daar ben ik niet voor in de wieg gelegd, meer als hersenvoedsel om mijn emoties in toom te kunnen houden en mijn hersens helder.
Kauwen op kauwgom helpt daar ook bij. Heel nuttig als je op een lange rit de concentratie wilt behouden. Kauwen houdt je scherp. Kauwen op iets dat je wil zoethouden en tot bellen blazen aanzet helpt vooral bij het in stand houden van de wereld die je behaaglijk om je heen zet. De warme deken van geborgenheid, de warme douche van genegenheid. Warmte geeft ook een bubbel. De schijnbubbel dat iedereen op aarde veilig en vrolijk is, omdat de zon schijnt.
De schijnbubbel dat iedereen om je heen vriendelijk en betrouwbaar is, omdat de zon schijnt en iedereen glimlacht en vrolijke kleuren draagt.

Bubblegum is niet iets om naar te verlangen. Het is eerder te vermijden.

Wat ik liever zoek is een wereld zonder bubbels, een wereld waarin je iets te kauwen hebt dat je hersens laat kraken op een gezonde manier, een manier die je nieuwsgierigheid aanwakkert en je oproept om de wereld eens van een andere kant te bekijken.
Nieuwe dingen laten zich vooral bij toeval vinden. De bubbel waarin we tegenwoordig gevangen zitten biedt ons alleen maar meer van hetzelfde, houdt ons voor ogen dat we omdat we iets ooit een keer deden of zeiden of aanschaften we het voortaan altijd willen doen of zeggen of bezitten.
Er was ooit een reclame die dat bestreed. "Been there, seen that, done that" was de kreet. Waarna je het aangeprezen product moest omhelzen, want dat was natuurlijk totaal anders.
Zo'n reclame heeft maar één keer zin. Na de eerste geblazen bel knalt het hele idee uit elkaar. Want voor dat product geldt dan ook "been there, seen that, done that".
Ook dat principe is inmiddels begrepen en benut in een reclame. Dit keer voor een nieuwe auto. Iemand heeft besloten geen nieuwe auto te kopen die hij ziet staan. "Enkele uren later keerde hij terug, want nu was de auto niet nieuw meer".
Tsja. De bubblegum blijft zich herhalen, want van zoet hebben mensen blijkbaar nooit genoeg.

Eerst het zuur, dan het zoet, was ooit een kreet in de politiek. Het zoet omringt ons. Overal waar we kijken is het. Een bubbel. Een wenteling en de bubbel knapt.

Doe mij maar Stimorol. (en nee, dat is geen reclame, en nee, ik heb geen aandelen)

woensdag 18 juli 2018

Het nut van gesloten vragen communicatie


Communicatie is en blijft een ingewikkeld iets. 

Voor alle mensen. Vooral als het schriftelijk moet (we menen zoveel te snappen uit de non-verbale communicatie dat we zelfs gaan denken dat we op grond van geschreven teksten gevoelens kunnen duiden......).
In een autistisch brein zijn er heel logische oplossingen gevonden voor het probleem van communicatie die ingewikkeld is. 

Er is een vereenvoudigend systeem ontworpen in onze hoofden (ook het mijne, daarom weet ik het) waarin nuances door nader onderzoek bepaald worden. 

Dat levert het fijnmazige systeem op van:
Gesloten vraag stellen. Antwoord krijgen. 
Nieuwe gesloten vraag stellen. Antwoord krijgen. 
Nog een specifiekere gesloten vraag stellen. Antwoord krijgen. 
Algemene checkvraag stellen. Antwoord krijgen. 
Nog een verbijzonderings gesloten vraag stellen. Antwoord krijgen.
Een voorlopige conclusie trekken en die checken. Antwoord krijgen.
Tevreden het gesprek op een ander thema kunnen laten overgaan.


Dit is echter niet hoe mensen zonder autisme communiceren. 
Die zijn meer van trial and error.
Dus gokken dat ze met een open vraag een goede reactie krijgen. 
Kiezen op grond van het antwoord op die open vraag hun visie op de onderhavige kwestie. 
En gaan over naar het volgende punt. 
In de VERONDERSTELLING dat beide partijen nu over exact dezelfde informatie beschikken.
Tijdens praten over het volgende punt blijkt echter dat er toch een vergissing plaats heeft gevonden en ontstaat de eerste spraakverwarring. 
Wordt die niet opgemerkt, dan zal het een geheel eigen leven gaan leiden en zijn mensen zonder autisme in staat om volkomen van elkaar af te drijven in hun gesprek dat door henzelf ervaren wordt als 'begrijpen wat de ander zegt en bedoelt'.

Ziet een autist iets dergelijks plaatsvinden, dan kan het zomaar dat er gesloten vragen op de gesprekspartners afgevuurd gaan worden.......let wel, ter verduidelijking van een gesignaleerd communicatieprobleem!

maandag 11 juni 2018

De letterlijkheid van taal

Ineens werd het me helder.
Geschreven taal werkt anders in mijn hoofd dan mondelinge taal.
En dat vraagt om wat uitleg voor de argeloze lezer van mijn teksten!

Schrijf ik, dan ben ik in staat om dubbele bodems te leggen en terug te lezen in eigen en andermans teksten.
Schrijf ik, dan kan ik spelen met betekenissen van woorden, ze nu eens zus en dan weer zo inzetten en herkennen hoe andere auteurs dat bedoeld en onbedoeld doen.
Schrijf ik, dan weet ik dat taal in de ene context iets anders betekenen kan dan in een andere context, immers de omgeving van woorden bepaalt hoe ze herkend worden.
Ik kan dit larderen met vele voorbeelden, wat voor de lezer verhelderend zou werken, maar omdat ik nu wil praten over de mondelinge taal laat ik dat even voor wat het is.

Mondelinge taal doet iets heel anders in mijn hoofd.
Mondelinge taal is voor mij identiek aan getallen.
Ik gebruik woorden zoals ik de cijfers 0 tot en met 9 gebruik. Ze betekenen wat ze betekenen en kunnen alleen in samenstellingen nieuwe betekenis krijgen, maar ook die gedraagt zich dan volgens vaste regels en zal nooit andere bewegingen kunnen maken.

Als ik spreek, dan kies ik mijn woorden met zorg. Ik zeg nooit dingen per ongeluk (schrijvend ontglipt me meer dan mondeling, tenzij ik doodmoe en/of overprikkeld ben, dan sta ik voor geen enkel woord meer in en is er geen enkele garantie dat ik zeg/schrijf wat ik bedoel.......merkwaardig genoeg blijven mijn zinnen dan nog steeds taalkundig juist en inhoudelijk verstaanbaar, waardoor de hoorder/lezer ten enenmale voorbij kan gaan aan het feit dat ik in eigen beleving koeterwaals uitkraam en onzin spreek die vooral niet geheel serieus genomen dient te worden, maar helaas al snel een eigen leven blijkt te zijn gaan leiden in andermans hoofd, waar ik dan op later tijdstip weer correcties in mag pogen aan te brengen, zonder mezelf geheel en al gek te verklaren of in de ogen van de ander tot warhoofd te zien veranderen).

Als ik spreek, kent elk woord in mijn zinnen de juiste plek. Woorden doen precies wat ik wil dat ze doen, uitdrukken wat ik wil zeggen op dat specifieke moment in die specifieke situatie tegenover die specifieke persoon.
Helaas werkt dat niet zo in de oren van de ander.

Dus ontstaan er veelvuldige spraakverwarringen als ik woorden die via context een veelvoud aan betekenissen kunnen hebben inzet op eenduidige en niet mis te verstane wijze die evenwel door de ander geheel en al gemist blijkt te worden.
En hier zouden voorbeelden goed van pas komen. Maar zoals dat dan gaat, als je ze zoekt zijn ze niet voorhanden.
Praten doe je immers binnen een context. Woorden verschijnen in interactie met andermans woorden. En zonder tegenspeler zijn mijn woorden braaf en glashelder in wat ik wil dat ze doen. Geen mens zal me op een dwaalspoor brengen met een reactie die ik niet plaatsen kan omdat ik even miste dat ik een cruciaal woord in mijn zinnen gebruikte dat de ander op dat geheel andere spoor liet gaan, een spoor waar ik in het geheel niet aan dacht, omdat ik het nu eenmaal niet over treinen had toen ik sporen benoemde in een zin die zich aandiende.
Dan vraag ik me af waarom we het ineens over treinen hebben, zie ik in mijn hoofd geelblauwe rupsen langskomen en stations verschijnen en ben ik geheel de weg kwijt in een gesprek dat ik notabene zelf gestart was.

Taal in het mondelinge verkeer is een mijnenveld van mogelijk gevaarlijke plekken die ontploffen voor mijn ogen of in ergere gevallen mijn stevige benen bedreigen of mijn armen er af blazen, waarmee ik toch echt vaak praat en die dus tamelijk onmisbaar voor me zijn.
De taal is een vehikel dat me dierbaar is en waar ik me meer en meer in weet te verplaatsen, maar als het mondeling moet ben ik een wandelaar die wielen niet vindt passen bij het voortbewegen in de wereld.

Ik ben een open boek, denken velen, maar dat geldt slechts als ik de tijd krijg om me voort te bewegen in het tempo dat me past en niet plotseling rijdende treinen ingetrokken wordt die me nopen om aan handremmen te gaan hangen.


donderdag 23 november 2017

Waarom ik niet altijd weet wie je bent



Prosopagnosie

-          Proso pag wat?

-          Nosie.

-          Oh. Maar wat betekent dat?

-          Dat ik niet weet wie je bent.

-          Huh?

-          Als ik je zomaar ergens tegenkom.

-          Hoezo?

-          Dan zie ik wel een persoon, maar niet jou.

-          Wat bedoel je?

-          Gezichtsblindheid heet het ook wel.

-          Gezichtsblindheid?

-          Ja, precies, prosopagnosie.

-          Oh ja, dat lastige lange woord.

-          Ja, vind ik ook. Maar past wel goed.

-          Hoezo?

-          Het is ook een lastige lange kwaal.

-          Hoe bedoel je dat nu weer?

-          Het gaat nooit over, is dus een lange kwaal en uitermate lastig.

-          Maar mij herken je toch wel?

-          Ja, ik wist dat je kwam.

-          Hoe bedoel je?

-          Als ik je verwacht weet ik dat ik je verwachten kan.

-          Wat betekent dat?

-          Dat ik je herkennen kan.

-          En anders?

-          Op een willekeurige plek zie ik je niet.

-          Oh, zoals laatst, toen ik je riep omdat je me niet zag.

-          Ik zag je wel, maar je was een vreemde.

-          Hoe kan dat nou?

-          Als ik dat wist had ik geen prosopagnosie.

zondag 12 november 2017

Van Zelf

In een grijs verleden was Zelf geheel vanzelf ontstaan. Uit een niets dat moeder heette en er geheel anders over dacht op dat moment.

Het leven van Zelf verliep vanzelfsprekend. Zelf doorliep de basisschool zonder moeite en met een groot zelfbewustzijn. Zelf dacht daar verder niets bijzonders van, het was geheel automatisch, denken over Zelf als je het zelf doet.
Ook de middelbare school bood niet meer dan een gezonde uitdaging waar Zelf van genoot, al was het op het moment zelf niet altijd eenvoudig de moed er in te houden.
Er was echter altijd wel een docent of ondersteuner aanwezig die het Zelf eenvoudiger wist te maken door de minder vanzelfsprekende zaken nader te duiden en zo de zelfstandigheid van Zelf te bevorderen.
Ook in de studietijd die volgde bleken de docenten en andere ondersteuners volop bereid en in staat om Zelf het juiste spoor te wijzen en ruimte te bieden aan de zelfontplooiing van Zelf, die toch echt vooral zichzelf bleef, temidden van alle andere zelven die er rondliepen.

Pas na een aantal werkzame jaren waarin Zelf er meer en meer achter kwam dat niet iedereen zo zelfredzaam is en zo zelfstandig en zo zelfbewust, ontstonden er wat scheuren in het beeld dat Zelf van zichzelf en de wereld had.
Met het klimmen der jaren werd Zelf onrustiger door wat er zoal waar te nemen was in de wereld. Hoe was het toch mogelijk dat de anderen niet in staat bleken te zijn een zelf te worden zoals Zelf was geworden?

Op een goede dag ontdekte Zelf dat er iets meer te vinden was van Zelf dan zijzelf altijd al gevonden had. Zelf bleek ook een Auto te hebben. In algemene zin zou dat uitsluitend goed nieuws geweest zijn, maar voor Zelf was het nogal verwarrend. Want deze Auto reed niet vanzelf, integendeel, deze Auto bleek zelfvertrouwen in te perken en maakte Zelf nog onrustiger.

Na verloop van enkele jaren kwam er alsnog een omslag in het denken van Zelf.
Helder werd ineens, glashelder kan wel gesteld worden, dat Zelf niet de enige Zelf is in de wereld. Sterker nog, iedereen is een Zelf.

Alleen, wanneer je behalve Zelf ook Auto bent is autonoom en zelfstandig worden een dubbele opgave.
En als je dan vanuit je autonoom zijn problemen krijgt met zelfstandig zijn, is het bijzonder ingewikkeld om jezelf te blijven, temidden van andere Zelven.

Soms zijn er plekken waar Zelf geheel zichzelf kan zijn, vol van zelfvertrouwen. Dat is op de plekken waar Zelf ook haar Auto ten volle kan benutten en het vehikel ineens geen obstakel maar een vervoersmiddel geworden blijkt te zijn.
Dan gaat alles vanzelf.
Dan is er zelfvertrouwen.
Dan is er ook zelfgenoegzaamheid.
Bij Zelf en bij alle andere Zelven, die even fijn kunnen doen alsof de Auto in hun bestaan uitsluitend positieve eigenschappen heeft.
Dat de Auto altijd meer brandstof vraagt dan Zelf voorhanden heeft, speelt dan geen rol.
Dat de Auto altijd meer onderhoud vraagt dan Zelf beschikbaar heeft, speelt dan geen rol.
Dat de Auto door anderen altijd gezien wordt, ook als Zelf meent dat deze onzichtbaar is, speelt dan geen rol.
Dat de Auto weleens wegen gaat die Zelf totaal niet zo bedacht had, is dan plotseling geen probleem.
Dat de Auto het Zelf wil doen is dan ineens geen enkel punt meer, aangezien Zelf de Auto onder controle heeft.

Was het maar altijd soms.

"Autminds" 11 november 2017

zaterdag 28 oktober 2017

Uit de kast of zoiets, maar was er wel een kast?



Ik heb mijn leven lang er voor gestreden dat mensen normaal om zouden gaan met mensen met een handicap, of op welke wijze dan ook 'anders dan de norm'. Dat was ingegeven door het feit dat ik een blinde vader heb en een slechtziend (en ook nog geadopteerd) zusje en er mijn hele leven mee geconfronteerd werd dat waar ik 'mijn vader' en 'mijn zusje' zag, de hele wereld 'de blinde' en 'het adoptiefkind' zag.
En daar vaak dan ook een bepaalde reactie aan verbond. Die ik niet zag als ze met mij omgingen of met wie dan ook.

Die strijd kwam door mijn diagnose in een totaal nieuw licht te staan en heeft me echt helemaal ondersteboven geschopt.
Want waar ik voorheen dacht dat hoe ik met mijn vader en mijn zusje omging voor ieder mens haalbaar moet zijn, want ik ben net zo normaal als iedereen en ik kan het ook, bleek nu dat ik ook op dat punt met een kronkel in mijn hoofd rondliep (ik heb heel veel dingen op de kop en ondersteboven en achterstevoren in mijn hoofd gekregen, omdat ik niets wist van mijn eigen constructie waar autisme toch wel cruciaal bij is).
Niet langer was ik behorend tot de groep die 'normaal moest doen'. Nee, ik bleek altijd al behoord te hebben tot de groep 'waar iets mee is'.
Dat was schokkend.

Omdat het mijn argument totaal onderuit haalde!

En ik hou er niet van om mensen iets op de mouw te spelden dat niet klopt. Dus het was een totale verstoring van mijn zelfbeeld.
Ik had staan 'preken voor eigen parochie'.......zonder het te beseffen ook nog eens!

Intussen (4 jaar na de diagnose) heb ik weer vrede met mijzelf. Mijn visie is nog steeds dezelfde:  

behandel mensen zoals je ook graag zelf behandeld zou willen worden, 

laat jouw 'normaal' voor iedereen gelden. Ook als je ze waarneemt als 'abnormaal' of 'afwijkend'.
Iedereen is zoals hij/zij is en heeft het er zelf ook maar mee te doen. We hebben geen van allen onszelf gemaakt.
Dus, doe niet zo raar tegen mensen als ze iets over zichzelf vertellen dat je zelf (gelukkig?!) niet hebt. Wees gewoon geïnteresseerd in hoe het leven is als je dat wat jij niet hebt wel hebt.

Mijn vader was predikant. Ik ook.
En dankzij zijn blindheid heb ik mijn gezichtsblindheid nooit als een probleem ervaren, hij kon het immers ook niet, mensen herkennen.
Pas toen ik de diagnose kreeg en me ging realiseren dat het onderdeel is van heel wat meer eigenaardigheden bij mij, die gezichtsblindheid, ontstond er een echt probleem.
Ik had gewoon de verkeerde baan, zo bleek. Mijn vaders handicap was geen echte handicap gebleken, de mijne was en is dat wel degelijk, juist omdat het sociale element nogal een grote rol speelt bij een predikant. En daar is mijn vader dan weer toevallig een stuk beter in dan ik.
Op papier merk je weinig tot niets aan mij, want ik heb veel geleerd in mijn leven. Maar krijg je me onverwacht aan de telefoon of kom je me zomaar tegen, dan val ik wel degelijk op.
Alleen.....niet genoeg om uit de toon te vallen........wat mijn handicap toch echt tot een heel ingewikkelde maakt.

Ik lijd er niet (meer) aan. Ik geniet van mijn anderszijn en onderzoek waar dat goed tot zijn recht kan komen zonder mij een gek gevoel van anderszijn te bezorgen. Ik ben ook graag normaal zoals iedereen.

zaterdag 18 maart 2017

Mijmeringen op een gedenkdag

In de afgelopen pakweg 25 jaar is de wereld danig veranderd.
Zo'n 25 jaar geleden was het nog lang niet voor iedereen gebruikelijk om een persoonlijk beeldscherm te hebben, laat staan meer dan 1.
Een tv kende elk huishouden wel, ook in kleur (ja ooit was dat zelfs een nieuwigheid!) en soms op meerder kamers.
Een computer begon meer voor te komen, maar was nog een soort van futuristisch ding dat de meeste mensen best konden missen.
In die wereld leefde mijn broer.

Onwetend van de wereld waar ik nu in leef.
Onwetend van een wereld waar je elkaar dankzij nieuwe technieken kunt bereiken via tekst en/of beeld op alle willekeurige plekken van de aardbol (nou ja, noordoostfriesland blijft lastig, maar in principe kan het overal op aarde).
Onwetend van een wereld waar mensen elkaar via twitter en Facebook en LinkedIn kunnen bereiken (de media die ik actief benut), en via Tinder, Instagram en Pinterest via beelden kunnen vinden (de media waar ik zonder kan, aangezien ik van tekst ben en minder van beeld).

Mijn broer was een kind van zijn tijd. Had hij nog geleefd, dan had hij zijn tijd verdeeld tussen alle verschillende media en was in contact getreden met de hele wereld. Had in die wereld zijn mondje weten te roeren en zijn stempel kunnen achterlaten.
Nu is hij slechts een naar nieuwsberichtje gebleven in de nadagen van een lange sombere winter in het jaar 1996.
Het berichtje kwam op de radio. Dat medium bestond al en zal ook wel nooit verdwijnen.
Het berichtje kwam in de krant. Dat medium bestond al en zal ook wel nooit verdwijnen, al is de vorm behoorlijk aan het wijzigen, nu nieuwe technieken digitale opties mooier en voordeliger maken dan dagelijks een papieren exemplaar aan de abonnees bezorgen door weer en wind.
We houden niet zo van weer en wind.
We verstoppen ons liever in afgesloten blokken waar we achter vierkante of rechthoekige schermpjes verdwijnen.
De wereld waar dingen nog rond zijn is aan het verdwijnen. De wereld waar dingen zich oneindig herhalen en dan weer als nieuw tevoorschijn komen omdat zo het leven nu eenmaal in elkaar steekt, begint buiten beeld te raken.
De wereld waar mensen nog voelen dat ze met elkaar verbonden zijn en voor elkaar van betekenis zijn en voor elkaar behoeften en verlangens kunnen vervullen is een wereld die meer en meer slechts in mijn herinnering lijkt te bestaan.
Niet dat ik somber ben over de wereld. Er is veel goeds in te ontdekken. Het is slechts de focus die zich maar al te makkelijk verplaatst naar het negatieve dat er ook te ontdekken is. En steeds eenvoudiger te vinden is, dankzij de vele beschikbare beeldschermen van  deze tijd, waar we met graagte gebruik van maken.
De beeldschermen ver'dommen' ons. Maken ons tot slaven van een wereld die pakweg 25 jaar geleden nog van ons was en intussen van de techniek is geworden. De techniek die ons zogenaamd vooruit wil helpen, maar in de vaart der mogelijkheden over het hoofd ziet dat de menselijke mate ritme, regelmaat en bovenal rust behoeft. Rust die niet roest, maar het hoofd ontruimt van ongewenste binnendringende gedachten die als giftige adders uit gladde maaivelden hun geniepige tong naar boven steken en ons hoofd vervuilen met wat ons naar beneden trekt, het moeras in.
In het moeras is het gevaarlijk. Daar huizen de muggen die ons platspuiten met ander gif, dat ons oneindige krabbehoeften bezorgt of nog ergere klachten waar een mens dood aan zou gaan, als hij niet al in de moerassige bodem weggezonken was, zonder hoop op redding, van hogerhand, of middels het eigen gezonde verstand dat de pollen niet voor stapstenen aan zou zien en het pad zou zoeken waar voeten veilig landen kunnen.
We hebben houvast nodig in deze wereld. Dat is niet anders dan pakweg 25 jaar geleden. De mens is namelijk niet veranderd, het is slechts de wereld waarin die mens zich bevindt die aan verandering onderhevig is.
Niet de mens is de verandering, het zijn de dingen waar de mens zich aan overgeeft en aan toevertrouwt die de verandering in gang zetten en in richtingen brengen waar de mens amper nog wat over te zeggen heeft.

Mijn broer kende deze wereld niet.
Maar hij had wel 1984 van George Orwell gelezen.
En 1984 overleefd, zonder dat er iets van uitgekomen leek te zijn.
Mijn broer kende zijn eigen wereld. En zag de kleine subtiele veranderingen die hij niet kon bevatten als behorend bij zijn wereld.
Die kleine dingen zijn een eigen leven gaan leiden in de afgelopen pakweg 25 jaar. Ze zijn tot enorme proporties uitgegroeid.
De aarde is gaan trillen onder de subtiele kleine veranderingen die de mens dacht te kunnen aanbrengen in de bodemsamenstelling. Het was maar gas toch? Gas is toch eigenlijk gewoon lucht? n lucht kan toch overal zijn? En dus kan gas toch gewoon uit de grond gehaald?
Nee dus, weten we intussen.

En zo zijn er vele vele gaswinningen aan te wijzen in onze wereld. De wereld van na 18 maart 1996.
Ik gun mijn broer zijn rust van harte.
Hij had groot gelijk dat hij deze wereld niet meer de zijne noemde.
Hoezeer hij ook een verandering had kunnen zijn in deze wereld.