woensdag 7 november 2018

Over de doden niets dan goeds

Er is een nieuw type uitje mogelijk.
Voorheen moest je het doen met de stenen aanduidingen die nietszeggend je op de akker aanstaarden. Daar was natuurlijk weinig lol aan te beleven, dat spreekt niet werkelijk tot de verbeelding. Tenzij je een meer morbide geest hebt of juist een zeer empathische die de teksten op de stenen als aanknopingspunt gebruiken kan voor een interessant verhaal over de beschrevene.
Wandelen over akkers vol van dergelijke stenen kan boeiend fotomateriaal opleveren en er zijn vele boeken mee gevuld.
Vandaag echter, kwam ik een nieuw type uitje tegen.

Ergens - ik zal de naam niet noemen - bleek op een locatie in het land ontdekt te zijn dat onder het aardoppervlak een reeks overblijfselen te vinden was met mogelijk archeologische betekenis. En natuurlijk is archeologie enorm belangrijk om meer te weten te komen over hoe het leven in vroeger tijden was. Hoogst interessant allemaal. Gaat over onszelf en wie wil nou niet weten hoe vroeger zijn of haar voorvaderen en voormoederen leefden? Iedereen toch!

Het kwam daarom goed uit dat dit keer geen potten en pannen, maar complete voorouders gevonden werden!
Het was uit een ver verleden, dus de kleding, huid en het eronder liggende organen gedeelte van het menselijk lichaam was geheel verdwenen, de botten waren alles dat nog aan het licht gebracht kon worden door de nijvere archeologen.

Nu vraag ik me echter af. En die vraag zag ik nog nergens genoteerd.
Is er niet zoiets als een wet die gaat over grafschennis? En is er ook niet zoiets als het met rust laten van graven? En is er ook niet een soort van fatsoensnorm die je ervan weerhoudt te gaan staren naar dode mensen?

Hoe kan het dan toch dat mensen samendromden rond de archeologische vindplaats en er zelfs toe uitgenodigd werden middels een aangekondigde 'kijkmiddag'.
Kijken naar skeletten.
Klinkt cool.

Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de voorouders die deze locatie ooit verkozen als laatste rustplaats voor hun geliefden er niet blij van zouden zijn geworden als ze geweten hadden dat ooit, op een later moment in de tijd, mensen samen zouden drommen rond de botten van hun dierbaren alsof het een attractie betrof waar je vrolijk naartoe kunt gaan.

Ik denk dat de middeleeuwen terug zijn.
Scrupules kennen we amper nog.

maandag 29 oktober 2018

x-vriendelijke samenleving

Woorden intrigeren me mateloos, vooral het oeverloze gebruik van termen die daardoor een soort van containerbegrip gaan worden, waar je willekeurig wat mee kunt bedoelen, dat je simpelweg uit de grote grabbelton van betekenissen opduikelt, zonder je te bekommeren om definiëring of begrijpelijkheid van wat je beoogt te zeggen.
Zo is er tegenwoordig het populaire, want ook nog aangenaam klinkende, achtervoegsel 'vriendelijke' in zwang. Het is een woord dat veelal -voorzover tot nu toe door mij waargenomen uitsluitend - gebruikt wordt in samengestelde vorm en dan gevolgd wordt door het zelfstandige naamwoord 'samenleving'.
Het klinkt heel mooi, die vriendelijke samenleving. Maar als je dan gaat kijken naar de bedoeling van de gebruiker van dergelijke taal dan gaat het in zekere zin om iets zeer onaangenaams. Er wordt met de woordkeuze helder inzichtelijk gemaakt dat we in onze hedendaagse samenleving te maken hebben met groepen mensen die we liever niet tot die samenleving rekenen. Groepen mensen die op een voor de middenmoot moeilijk te begrijpen en verdragen wijze 'anders' zijn. Groepen mensen die zich allemaal laten vangen onder een eenvoudige noemer, zodat we ze wel makkelijk kunnen determineren als niet behorend tot onze soort, degenen die automatisch en vanzelfsprekend tot de samenleving gerekend kunnen worden.
De groepen bevatten mensen die dezelfde dingen doen als wij allen, ze hebben een baan of volgen een opleiding, ze wonen alleen of met een partner, ze hebben wel of geen kinderen, ze hebben wel of geen huisdieren. Ze reizen, met het openbaar vervoer of met eigen vervoer, ze recreëren, ver weg of in de eigen omgeving, ze wonen in een huis of appartement, vrijstaand of geschakeld. Ze zijn ook aardig of onaardig, getalenteerd of middelmatig, bijzonder of onopvallend.
Ze zijn gewoon mens, zoals wij allen mens zijn.
Maar op dat ene cruciale punt waarop ze anders zijn zijn ze dusdanig anders dat wij als grote middenmoot besloten hebben dat het woord dat daarbij hoort hen tot een groep rekent en daarmee aanwijst als te vermijden binnen een context waarin we elkaar allemaal begrijpen omdat we zo fijn hetzelfde zijn. Dat element van hetzelfde zijn gaat dan vooral over het kunnen omgaan met containerbegrippen en die te pas en te onpas toe kunnen passen in het dagelijks bestaan en er nieuwe bij kunnen verzinnen om de wereld aangenaam overzichtelijk te houden op een wijze die voor de middenmoot prima werkt.
En toevalligerwijze zijn het juist de mensen die niet zo goed uit de voeten kunnen met containerbegrippen die middels het vriendelijke containerbegrip aangeduid kunnen worden! Is dat niet handig!

De x, die in de titel van dit stukje staat, heeft te maken met twee zeer verschillende groepen, die toch iets gemeenschappelijk hebben. In beide gevallen is er iets aan de hand met de communicatiemogelijkheden van de mensen in die groep. In beide gevallen hebben mensen in deze groep de neiging (of de noodzaak) om woorden zo letterlijk mogelijk te benutten. Als er gesproken wordt van containerbegrippen zien deze mensen een grote zeecontainer voor zich. Of een afvalcontainer. Of het type container dat in hun hoofd passend is bij het woord container. Ze pakken de overdrachtelijke betekenis pas in tweede instantie op. Soms blijft die tweede instantie achterwege, simpelweg omdat hun hoofd al te vol zit met allerlei containers die ze niet bij elkaar geplaatst krijgen, omdat hun hoofd nu eenmaal geen haventerrein of vrachtwagenopslag is en ze geen idee hebben waar al die containers heen zouden moeten en hoe ze die hun hoofd uit kunnen manoeuvreren.

De ene groep die binnen de x geplaatst kan worden is een groep die in het algemeen gezien wordt als gehandicapt. Tegenwoordig mogen mensen die tot die groep behoren zich beschouwen als 'neurotypisch' en krijgen daardoor meer ruimte om zich te blijven ontwikkelen, ook al gaat dat op geheel andere wijze dan bij de middenmootmassamens.
De andere groep die binnen de x geplaatst kan worden is een groep die in het algemeen gezien wordt als ziek. Tegenwoordig mogen mensen die tot die groep behoren zich beschouwen als mondige mensen en krijgen daardoor meer ruimte om te leren omgaan met hun afnemende vermogens, ook al gaat dat met de nodige horten en stoten als de middenmootmassamens in de buurt is.

Ik heb het, voor de helderheid - want ik kan me zo indenken dat de middenmootmassamens de draad wat kwijt begint te raken - , over de groepen die aangeduid worden met de woorden 'autisme' en 'dementie'.

En wat nu zo bijzonder is, is dat beide groepen een eigen samenleving toebedeeld krijgen van de middenmootmassamens. Er is een 'dementievriendelijke samenleving' en er is een 'autismevriendelijke samenleving'.
En nu ben ik van de eenvoudige oplossing en wou ik eigenlijk voorstellen dat we voortaan gewoon met zijn allen gaan wonen in een vriendelijke samenleving. Scheelt een container aan vage begrippen!

zaterdag 21 juli 2018

Bubblegum

Ik heb het nooit gekund, van die ronde bellen blazen met een stukje kauwgom in mijn mond. Klapkauwgum noemden we dat toen. Kauwgum die in je gezicht uit elkaar kon klappen als je er een grote bel van blies.
Het heette anders, het heette met een engels woord 'bubblegum'. Een grappig woord in essentie, grappig in de huidige tijd.

We leven in een bubbel. Ieder in zijn eigen bubbel. Een luchtbel waarbinnen alles glimt en glanst en ons vertrouwenwekkend toelacht. De sfeer is opgeklopt en kunstmatig, maar wij wanen ons in een gouden wereld vol veilige vertrouwdheid, waarin alles is zoals het is en doet wat het behoort te doen en alles klopt omdat het klopt.
Die wereld kan zomaar uitgegumd worden. Als de stroom uitvalt bijvoorbeeld. Of als je telefoon buiten bereik van een signaal is. Of wanneer je apparatuur het begeeft en een reparatie nodig heeft.
Dan is de bubbel geknapt, leef je ineens buiten de bubbel.

Ik heb het nooit gekund, bellen blazen.
Ik kan het nog steeds niet, bellen blazen.
Ook niet in de huidige wereld.

Ik voel me er ongemakkelijk bij. Heb dan het idee dat er van alles is dat ik niet zien kan, omdat ik gevangen zit in een bubbel van gelijkvormigheid en eenstemmigheid en schijnharmonie omdat iedereen het eens lijkt te zijn en die mening in andere bewoordingen nog maar eens fijn herhaalt tegen iemand die dezelfde mening al is toegedaan, er slechts andere woorden voor koos.
De uniciteit van ieder mens wordt geweld aangedaan in de bubbel. De mogelijkheden buiten de bubbel worden eenstemmig ontkend door het koor van gelijkluidende stemmen, dat hooguit een harmonieuze vierstemmigheid horen laat, die uiteindelijk hetzelfde verwoorden op hoge of lage toon.

Ik hield wel van kauwgum, maar vond Stimorol de betere soort. Die was niet bedoeld om bellen te blazen en had in zijn klank iets vriendelijk stimulerends dat me wel aansprak, taalgevoelig als ik ben.
De bubblegum was niet alleen vanwege de bel die je er mee kon blazen niet naar mijn smaak, het ws ook vanwege de zoete smaak die me niet bepaald kon bekoren. Ik ben geen zoetekauw, al eet ik net als iedereen genoeg zoetigheid. Niet als zoethoudertjes, daar ben ik niet voor in de wieg gelegd, meer als hersenvoedsel om mijn emoties in toom te kunnen houden en mijn hersens helder.
Kauwen op kauwgom helpt daar ook bij. Heel nuttig als je op een lange rit de concentratie wilt behouden. Kauwen houdt je scherp. Kauwen op iets dat je wil zoethouden en tot bellen blazen aanzet helpt vooral bij het in stand houden van de wereld die je behaaglijk om je heen zet. De warme deken van geborgenheid, de warme douche van genegenheid. Warmte geeft ook een bubbel. De schijnbubbel dat iedereen op aarde veilig en vrolijk is, omdat de zon schijnt.
De schijnbubbel dat iedereen om je heen vriendelijk en betrouwbaar is, omdat de zon schijnt en iedereen glimlacht en vrolijke kleuren draagt.

Bubblegum is niet iets om naar te verlangen. Het is eerder te vermijden.

Wat ik liever zoek is een wereld zonder bubbels, een wereld waarin je iets te kauwen hebt dat je hersens laat kraken op een gezonde manier, een manier die je nieuwsgierigheid aanwakkert en je oproept om de wereld eens van een andere kant te bekijken.
Nieuwe dingen laten zich vooral bij toeval vinden. De bubbel waarin we tegenwoordig gevangen zitten biedt ons alleen maar meer van hetzelfde, houdt ons voor ogen dat we omdat we iets ooit een keer deden of zeiden of aanschaften we het voortaan altijd willen doen of zeggen of bezitten.
Er was ooit een reclame die dat bestreed. "Been there, seen that, done that" was de kreet. Waarna je het aangeprezen product moest omhelzen, want dat was natuurlijk totaal anders.
Zo'n reclame heeft maar één keer zin. Na de eerste geblazen bel knalt het hele idee uit elkaar. Want voor dat product geldt dan ook "been there, seen that, done that".
Ook dat principe is inmiddels begrepen en benut in een reclame. Dit keer voor een nieuwe auto. Iemand heeft besloten geen nieuwe auto te kopen die hij ziet staan. "Enkele uren later keerde hij terug, want nu was de auto niet nieuw meer".
Tsja. De bubblegum blijft zich herhalen, want van zoet hebben mensen blijkbaar nooit genoeg.

Eerst het zuur, dan het zoet, was ooit een kreet in de politiek. Het zoet omringt ons. Overal waar we kijken is het. Een bubbel. Een wenteling en de bubbel knapt.

Doe mij maar Stimorol. (en nee, dat is geen reclame, en nee, ik heb geen aandelen)

woensdag 18 juli 2018

Het nut van gesloten vragen communicatie


Communicatie is en blijft een ingewikkeld iets. 

Voor alle mensen. Vooral als het schriftelijk moet (we menen zoveel te snappen uit de non-verbale communicatie dat we zelfs gaan denken dat we op grond van geschreven teksten gevoelens kunnen duiden......).
In een autistisch brein zijn er heel logische oplossingen gevonden voor het probleem van communicatie die ingewikkeld is. 

Er is een vereenvoudigend systeem ontworpen in onze hoofden (ook het mijne, daarom weet ik het) waarin nuances door nader onderzoek bepaald worden. 

Dat levert het fijnmazige systeem op van:
Gesloten vraag stellen. Antwoord krijgen. 
Nieuwe gesloten vraag stellen. Antwoord krijgen. 
Nog een specifiekere gesloten vraag stellen. Antwoord krijgen. 
Algemene checkvraag stellen. Antwoord krijgen. 
Nog een verbijzonderings gesloten vraag stellen. Antwoord krijgen.
Een voorlopige conclusie trekken en die checken. Antwoord krijgen.
Tevreden het gesprek op een ander thema kunnen laten overgaan.


Dit is echter niet hoe mensen zonder autisme communiceren. 
Die zijn meer van trial and error.
Dus gokken dat ze met een open vraag een goede reactie krijgen. 
Kiezen op grond van het antwoord op die open vraag hun visie op de onderhavige kwestie. 
En gaan over naar het volgende punt. 
In de VERONDERSTELLING dat beide partijen nu over exact dezelfde informatie beschikken.
Tijdens praten over het volgende punt blijkt echter dat er toch een vergissing plaats heeft gevonden en ontstaat de eerste spraakverwarring. 
Wordt die niet opgemerkt, dan zal het een geheel eigen leven gaan leiden en zijn mensen zonder autisme in staat om volkomen van elkaar af te drijven in hun gesprek dat door henzelf ervaren wordt als 'begrijpen wat de ander zegt en bedoelt'.

Ziet een autist iets dergelijks plaatsvinden, dan kan het zomaar dat er gesloten vragen op de gesprekspartners afgevuurd gaan worden.......let wel, ter verduidelijking van een gesignaleerd communicatieprobleem!

maandag 11 juni 2018

De letterlijkheid van taal

Ineens werd het me helder.
Geschreven taal werkt anders in mijn hoofd dan mondelinge taal.
En dat vraagt om wat uitleg voor de argeloze lezer van mijn teksten!

Schrijf ik, dan ben ik in staat om dubbele bodems te leggen en terug te lezen in eigen en andermans teksten.
Schrijf ik, dan kan ik spelen met betekenissen van woorden, ze nu eens zus en dan weer zo inzetten en herkennen hoe andere auteurs dat bedoeld en onbedoeld doen.
Schrijf ik, dan weet ik dat taal in de ene context iets anders betekenen kan dan in een andere context, immers de omgeving van woorden bepaalt hoe ze herkend worden.
Ik kan dit larderen met vele voorbeelden, wat voor de lezer verhelderend zou werken, maar omdat ik nu wil praten over de mondelinge taal laat ik dat even voor wat het is.

Mondelinge taal doet iets heel anders in mijn hoofd.
Mondelinge taal is voor mij identiek aan getallen.
Ik gebruik woorden zoals ik de cijfers 0 tot en met 9 gebruik. Ze betekenen wat ze betekenen en kunnen alleen in samenstellingen nieuwe betekenis krijgen, maar ook die gedraagt zich dan volgens vaste regels en zal nooit andere bewegingen kunnen maken.

Als ik spreek, dan kies ik mijn woorden met zorg. Ik zeg nooit dingen per ongeluk (schrijvend ontglipt me meer dan mondeling, tenzij ik doodmoe en/of overprikkeld ben, dan sta ik voor geen enkel woord meer in en is er geen enkele garantie dat ik zeg/schrijf wat ik bedoel.......merkwaardig genoeg blijven mijn zinnen dan nog steeds taalkundig juist en inhoudelijk verstaanbaar, waardoor de hoorder/lezer ten enenmale voorbij kan gaan aan het feit dat ik in eigen beleving koeterwaals uitkraam en onzin spreek die vooral niet geheel serieus genomen dient te worden, maar helaas al snel een eigen leven blijkt te zijn gaan leiden in andermans hoofd, waar ik dan op later tijdstip weer correcties in mag pogen aan te brengen, zonder mezelf geheel en al gek te verklaren of in de ogen van de ander tot warhoofd te zien veranderen).

Als ik spreek, kent elk woord in mijn zinnen de juiste plek. Woorden doen precies wat ik wil dat ze doen, uitdrukken wat ik wil zeggen op dat specifieke moment in die specifieke situatie tegenover die specifieke persoon.
Helaas werkt dat niet zo in de oren van de ander.

Dus ontstaan er veelvuldige spraakverwarringen als ik woorden die via context een veelvoud aan betekenissen kunnen hebben inzet op eenduidige en niet mis te verstane wijze die evenwel door de ander geheel en al gemist blijkt te worden.
En hier zouden voorbeelden goed van pas komen. Maar zoals dat dan gaat, als je ze zoekt zijn ze niet voorhanden.
Praten doe je immers binnen een context. Woorden verschijnen in interactie met andermans woorden. En zonder tegenspeler zijn mijn woorden braaf en glashelder in wat ik wil dat ze doen. Geen mens zal me op een dwaalspoor brengen met een reactie die ik niet plaatsen kan omdat ik even miste dat ik een cruciaal woord in mijn zinnen gebruikte dat de ander op dat geheel andere spoor liet gaan, een spoor waar ik in het geheel niet aan dacht, omdat ik het nu eenmaal niet over treinen had toen ik sporen benoemde in een zin die zich aandiende.
Dan vraag ik me af waarom we het ineens over treinen hebben, zie ik in mijn hoofd geelblauwe rupsen langskomen en stations verschijnen en ben ik geheel de weg kwijt in een gesprek dat ik notabene zelf gestart was.

Taal in het mondelinge verkeer is een mijnenveld van mogelijk gevaarlijke plekken die ontploffen voor mijn ogen of in ergere gevallen mijn stevige benen bedreigen of mijn armen er af blazen, waarmee ik toch echt vaak praat en die dus tamelijk onmisbaar voor me zijn.
De taal is een vehikel dat me dierbaar is en waar ik me meer en meer in weet te verplaatsen, maar als het mondeling moet ben ik een wandelaar die wielen niet vindt passen bij het voortbewegen in de wereld.

Ik ben een open boek, denken velen, maar dat geldt slechts als ik de tijd krijg om me voort te bewegen in het tempo dat me past en niet plotseling rijdende treinen ingetrokken wordt die me nopen om aan handremmen te gaan hangen.


donderdag 23 november 2017

Waarom ik niet altijd weet wie je bent



Prosopagnosie

-          Proso pag wat?

-          Nosie.

-          Oh. Maar wat betekent dat?

-          Dat ik niet weet wie je bent.

-          Huh?

-          Als ik je zomaar ergens tegenkom.

-          Hoezo?

-          Dan zie ik wel een persoon, maar niet jou.

-          Wat bedoel je?

-          Gezichtsblindheid heet het ook wel.

-          Gezichtsblindheid?

-          Ja, precies, prosopagnosie.

-          Oh ja, dat lastige lange woord.

-          Ja, vind ik ook. Maar past wel goed.

-          Hoezo?

-          Het is ook een lastige lange kwaal.

-          Hoe bedoel je dat nu weer?

-          Het gaat nooit over, is dus een lange kwaal en uitermate lastig.

-          Maar mij herken je toch wel?

-          Ja, ik wist dat je kwam.

-          Hoe bedoel je?

-          Als ik je verwacht weet ik dat ik je verwachten kan.

-          Wat betekent dat?

-          Dat ik je herkennen kan.

-          En anders?

-          Op een willekeurige plek zie ik je niet.

-          Oh, zoals laatst, toen ik je riep omdat je me niet zag.

-          Ik zag je wel, maar je was een vreemde.

-          Hoe kan dat nou?

-          Als ik dat wist had ik geen prosopagnosie.

zondag 12 november 2017

Van Zelf

In een grijs verleden was Zelf geheel vanzelf ontstaan. Uit een niets dat moeder heette en er geheel anders over dacht op dat moment.

Het leven van Zelf verliep vanzelfsprekend. Zelf doorliep de basisschool zonder moeite en met een groot zelfbewustzijn. Zelf dacht daar verder niets bijzonders van, het was geheel automatisch, denken over Zelf als je het zelf doet.
Ook de middelbare school bood niet meer dan een gezonde uitdaging waar Zelf van genoot, al was het op het moment zelf niet altijd eenvoudig de moed er in te houden.
Er was echter altijd wel een docent of ondersteuner aanwezig die het Zelf eenvoudiger wist te maken door de minder vanzelfsprekende zaken nader te duiden en zo de zelfstandigheid van Zelf te bevorderen.
Ook in de studietijd die volgde bleken de docenten en andere ondersteuners volop bereid en in staat om Zelf het juiste spoor te wijzen en ruimte te bieden aan de zelfontplooiing van Zelf, die toch echt vooral zichzelf bleef, temidden van alle andere zelven die er rondliepen.

Pas na een aantal werkzame jaren waarin Zelf er meer en meer achter kwam dat niet iedereen zo zelfredzaam is en zo zelfstandig en zo zelfbewust, ontstonden er wat scheuren in het beeld dat Zelf van zichzelf en de wereld had.
Met het klimmen der jaren werd Zelf onrustiger door wat er zoal waar te nemen was in de wereld. Hoe was het toch mogelijk dat de anderen niet in staat bleken te zijn een zelf te worden zoals Zelf was geworden?

Op een goede dag ontdekte Zelf dat er iets meer te vinden was van Zelf dan zijzelf altijd al gevonden had. Zelf bleek ook een Auto te hebben. In algemene zin zou dat uitsluitend goed nieuws geweest zijn, maar voor Zelf was het nogal verwarrend. Want deze Auto reed niet vanzelf, integendeel, deze Auto bleek zelfvertrouwen in te perken en maakte Zelf nog onrustiger.

Na verloop van enkele jaren kwam er alsnog een omslag in het denken van Zelf.
Helder werd ineens, glashelder kan wel gesteld worden, dat Zelf niet de enige Zelf is in de wereld. Sterker nog, iedereen is een Zelf.

Alleen, wanneer je behalve Zelf ook Auto bent is autonoom en zelfstandig worden een dubbele opgave.
En als je dan vanuit je autonoom zijn problemen krijgt met zelfstandig zijn, is het bijzonder ingewikkeld om jezelf te blijven, temidden van andere Zelven.

Soms zijn er plekken waar Zelf geheel zichzelf kan zijn, vol van zelfvertrouwen. Dat is op de plekken waar Zelf ook haar Auto ten volle kan benutten en het vehikel ineens geen obstakel maar een vervoersmiddel geworden blijkt te zijn.
Dan gaat alles vanzelf.
Dan is er zelfvertrouwen.
Dan is er ook zelfgenoegzaamheid.
Bij Zelf en bij alle andere Zelven, die even fijn kunnen doen alsof de Auto in hun bestaan uitsluitend positieve eigenschappen heeft.
Dat de Auto altijd meer brandstof vraagt dan Zelf voorhanden heeft, speelt dan geen rol.
Dat de Auto altijd meer onderhoud vraagt dan Zelf beschikbaar heeft, speelt dan geen rol.
Dat de Auto door anderen altijd gezien wordt, ook als Zelf meent dat deze onzichtbaar is, speelt dan geen rol.
Dat de Auto weleens wegen gaat die Zelf totaal niet zo bedacht had, is dan plotseling geen probleem.
Dat de Auto het Zelf wil doen is dan ineens geen enkel punt meer, aangezien Zelf de Auto onder controle heeft.

Was het maar altijd soms.

"Autminds" 11 november 2017