dinsdag 12 januari 2021

Zijn of hebben

 In velerlei opzichten zijn de woorden 'zijn' en 'hebben' interessante (koppel)werkwoorden. In de eerste plaats omdat ze zo handig zijn, ze verbinden woorden met het grootste gemak met elkaar en hebben zelf amper betekenis die opvalt. Nuttige smeermiddelen zijn het daarmee en dat hebben we graag in het leven, smeermiddelen die ons helpen. 

Toch is er ook een heel erg groot verschil tussen beide woorden. Het ene woord heeft genoeg aan zichzelf en kan zijn zonder hebben toe te hoeven voegen. Het andere woord is altijd bezig met iets koppelen aan zichzelf, want hebben verbindt ten allen tijde dingen die anders los van elkaar zouden bestaan. 

Dan blijkt ook nog dat de beide woorden hele volksstammen uit elkaar kunnen drijven zodra het gaat om het koppelen van een begrip aan een persoon. 
En ik was daarover na aan het denken en realiseerde me ineens dat het nog veel dieper gaat. 

Ieder mens heeft ongemerkt een voorkeur voor een van beide woorden. Dat haal je niet altijd uit het taalgebruik, hoewel ik vermoed dat het ene woord mogelijk meer gebezigd wordt dan het andere, als de voorkeur uitgesproken is en niet sluimerend vaag aanwezig. 

Ik ben zelf nogal een zijn mens. Ik heb namelijk een opleiding en beroep gekozen indertijd waar een zijnsberoep bij hoort. Een predikant ben je, en dat ben je vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, twaalf maanden in het jaar, levenslang vanaf dat je in het ambt bevestigd werd en ook nadat je het vak niet meer actief uitvoert, maar emeritus status verworven hebt. 
Maar ik ben het in meer opzichten. 
Ik hou ervan om de wereld van een afstandje te beschouwen en er in alle rust het mijne van te denken, wat ik dan al dan niet na enige tijd deel met de wereld, die ik dan ook gun er het zijne of hare van te denken. Wat mij betreft hoef je niet dezelfde levenswijze te hebben als ik, ik vind het prima als je zelf meer een hebben persoon bent. 

De hebben personen van deze wereld zijn namelijk ook degenen die zorgen dat ik veel heb om in te zijn. Ik kan in auto's die mensen hebben veel plezier ervaren, ook als ik ze alleen maar langs zie rijden. Ik kan ook huizen die mensen hebben betreden met veel genoegen, zonder ze zelf ooit te hoeven bezitten, er zijn is me meer dan genoeg. 
Ik vind het ook erg fijn dat er mensen zijn die bibliotheken hebben waar ik dan weer veel in kan ontdekken over mijn staat van zijn en waar ik wellicht ook ooit nog wil zijn. 

Mijn wijze van zijn is erg verweven met zaken die anderen ook nog weleens onder hebben laten vallen. 
Zo zeg ik graag dat ik moeder ben, waar anderen zouden zeggen dat ze kinderen hebben. 
En ik ben graag de partner van mijn geliefde, hoewel anderen wellicht zeggen dat ze een partner hebben. 
En ik ben ook autist, al besef ik dat velen liever zeggen dat ze autisme hebben. 
Ook ben ik eigenaar van een woning, wat ik een fijne aanduiding vind voor het feit dat ik een eigen huis heb. 
En ik ben in het bezit van een auto, wat ik liever beweer dan dat ik zeg dat ik een auto heb. 

Het betekent niet dat ik de hebben zinnen nooit uitspreek. Integendeel. In de huidige maatschappij is hebben een gebruikelijkere wijze van je uitdrukken dan zijn en ik pas me makkelijk aan aan de verwachtingen van mensen. 
Maar als ik puur vanuit mijzelf zou praten zou zijn me nog sneller in de mond liggen dan toch al het geval is. 

Ik ben dan ook blij dat deze periode waarin we het voortdurend hebben over Covid19 en vaccins, me veel ruimte bieden om te leven bij de dag en gewoon te zijn, zonder te hoeven hebben. Ik heb gelukkig geen corona, nog niet eens een test hoeven hebben. En gevaccineerd wil ik wel graag zijn, zodat mijn bestaan weer wat meer bewegingsruimte kan kennen waar ik minder het gevoel krijg dat ik risico loop. Dat wil ik namelijk niet graag hebben, risico. Ik ben nogal risicomijdend, omdat dat mijn zijn het meeste armslag biedt en ik geen beschermende toestanden hoef te hebben die ik als ballast ervaar. 

Mijn zijn is mij genoeg. Daar heb ik weinig meer bij nodig. (nou ja, een toetsenbord is fijn! Tikt wel zo makkelijk!)

zondag 10 januari 2021

Emoties en gevoelens, wat moet je er nou mee?

 In mijn leven spelen veel woorden een enkelvoudige rol, ik weet exact wat ik bedoel met een woord als ik het gebruik en het woord betekent uitsluitend dat. Toch zweven er ook woorden in mijn hoofd rond die een meer vage betekenis hebben en een soort van inwisselbaarheid kennen. Dat geldt bij mij voor de woorden emotie en gevoel. Of het nu enkelvoud of meervoud is, voor mij is het allemaal één pot nat. Gevoelens en emoties zijn dingen die door de meeste mensen heel belangrijk gevonden worden en voor mij vooral raadselachtig zijn en opploppen op de meest onhandige momenten. Ze plegen de gewoonte te hebben zich te vertonen als ik ze totaal niet gebruiken kan. Of ze vermommen zich in vormen die ik niet herken als passend bij een situatie, of in een vorm die anderen anders duiden dan ik denk dat ze willen uitdrukken. 

Gelukkig kan ik gevoelens en emoties meestal rustig ergens in een hoekje van mijn hoofd parkeren, waar ze met zichzelf het uit mogen zoeken en mij verder niet al te veel lastig hoeven te vallen. 
Totdat ik plotseling bespeur dat ik wel erg moe ben, op een tijdstip waarop dat nog niet logisch is of op een wijze die ik niet geheel kan plaatsen. In dat geval blijkt vaak dat ik ze teveel zelf heb laten uitzoeken en nu toch echt aandacht aan ze moet gaan schenken. Aandacht die meestal heel wat ongemak met zich meebrengt voor het wat oplevert. 
Logischerwijze stel ik dat zo lang mogelijk uit. Ook (juist) als ik heel moe ben. 

Soms zorgen ze zo goed voor zichzelf dat ik ze nergens terug kan vinden en er dan voor het gemak maar vanuit ga dat ze simpelweg verdwenen zijn of opgelost. 
Toch is dat zelden het geval. Meestal hebben ze zich dan ergens verstopt en komen tevoorschijn als ik er totaal niet op bedacht ben en het ook totaal niet gebruiken kan dat ze zich weer overal mee komen bemoeien. 

Zo geven gevoelens en emoties me altijd veel extra werk, omdat ik ze in het dagelijks bestaan niet werkelijk een rol laat spelen, puur en alleen omdat ik geen idee heb hoe ik dat het beste zou kunnen aanpakken. 

Hoe vaak ik ook nadenk over emoties en gevoelens, ik kom er nooit echt uit, wat ik nou met ze aan moet. 
En dat is dan wel weer logisch verklaarbaar, immers, gevoelens en emoties voel je en ervaar je, die laten zich niet bedenken. 

Dat ik altijd gedacht heb dat je er over kunt denken, komt doordat me met regelmaat iets gezegd is dat me op dat spoor zette. Mensen vragen graag 'wat voel je' en als mij een 'wat' vraag gesteld wordt, weet ik dat er een 'dat' antwoord bij hoort. Het kan dus in mijn hoofd niet zo zijn dat 'wat voel je' een manier van zeggen is die je wil uitnodigen om je gevoelens en emoties te delen, ongeacht welke deze zijn. Het is in mijn hoofd een uitnodiging om nauwgezet verslag te doen van je innerlijke gevoelsleven, waarin die emoties en gevoelens zich roeren. 
Maar hoe doe je dat? 

Ik ervaar emoties en gevoelens als een wirwar van mogelijkheden die tegelijkertijd aanwezig zijn en toch onzichtbaar en onvindbaar zijn en zich roeren terwijl ze stil in een hoekje liggen en opspringen zonder zich te verplaatsen. Hoe geef je dat nou helder aan in woorden? En hoe zet je dat om in een zin die past bij 'wat voel je'? 
Moet ik dan zeggen 'ik voel dat ik zweef boven alles uit en tegelijkertijd duikel ik diep omlaag en hang ik ergens tussenin'? Dat komt niet over als een zin die een antwoord geeft. Toch kan het een adequate weergave zijn van wat ik op enig moment van binnen ervaar. 
Mijn emoties en gevoelens zijn nogal origineel en indringend als ik ze toelaat in mijn bewustzijn en verwoorden daarvan kan dan ook alleen en uitsluitend via metaforen en vergelijkingen en lijkt op zinnen en doet denken aan gedachten. Het blijkt niet helemaal wat mensen verwachten te horen te zullen krijgen als ze je vragen 'wat voel je'. 
Integendeel. 
Het lijkt te moeten gaan om een eenduidigheid, een 'dit voel ik' antwoord dat geen misverstanden op kan roepen. Dus moet ik dan een keuze maken, zo komt het op me over en kan ik het diep omlaag duikelen kiezen terwijl ik zelf het er tussenin hangen mogelijk belangrijker vind of me prettiger voel bij het boven alles uit zweven. 
Geef ik een dergelijk antwoord dan ontstaat er nog een gevoel. Het gevoel dat ik een fout antwoord gaf. Dat is een knellende band die mijn denken verstoort en mijn gevoelsleven in een afwachtende pauze plaatst, waarbij mijn emoties gespannen wachten hoe ik me hier weer uit zal gaan redden. 
Voelen is nooit fout, is me met regelmaat verzekerd. 
Dus het gevoel dat ik een fout antwoord gaf is ook niet fout. 
Toch weet ik uit ervaring dat ik dat niet hardop moet uiten, omdat ik dan juist te horen krijg dat het helemaal nooit fout kan zijn wat ik voel. 
Huh?
Maar voelen dat ik het fout voel is wel fout?
Hoe zit dat dan?
Of begrijp ik het verkeerd?
In totale verwarring worstel ik inwendig met de vele antwoordopties en kom steeds verder af te staan van wat ik zwevend boven alles uit ervoer en meer en meer wordt het diep omlaag duikelen het enige werkelijke gevoel dat ik nog waarneem, nu sterker dan ooit tevoren, waarder dan waar en dieper dan diep en geen sprake is er meer van er tussenin hangen. 
Dat versterkt weer mijn gedachte dat de vraag 'wat voel je' uitgaat van slechts één gevoel en geen ruimte biedt aan een complex van gevoelens tegelijkertijd. 

Zo wordt de vraag een leidraad voor mijn gevoelsleven en voel ik alleen nog maar wat ik aanvankelijk als 'fout antwoord' ervoer. Zo herstel ik mijn 'foute gevoel' en kan in min of meer oprechtheid bevestigen dat dat gevoel van diep duikelen niet echt plezierig is. 
Nee, niet bepaald. Als je nog eens wat weet! 
Vraag dan ook niet naar mijn gevoel! 
Het is voor mijzelf al vaag genoeg. Maak het niet nog vager door je vragen die mij de illusie bieden dat voelen helder is en duidelijk en eenduidig. 
Dat is het dus absoluut niet!

zondag 15 november 2020

Waarom de slimmeriken altijd tekortkomen (en niet klagen)

In de maatschappij waarin we leven wonen hoofdzakelijk mensen die gemiddeld intelligent of minder intelligent zijn. 
Dat kunnen ze niet helpen, maar ze bepalen wel de hele gang van zaken. 

Daardoor ontstaat een wereld die voor gemiddeld intelligente mensen prima functioneert en voor minder intelligente mensen ook nog goed te doen is. Als het te moeilijk voor die laatste groep wordt zijn er veel mogelijkheden om het nog eenvoudiger aan te bieden. 

Hierdoor is er heel veel aanbod dat je makkelijk tot je kunt nemen. Aanbod op onderwijsgebied is ook grotendeels gericht op zorgen dat iedereen mee kan komen in de maatschappij. 

We zien dat de maatschappij steeds ingewikkelder wordt, maar door de informatie in kleine brokjes aan te bieden blijft het voor iedereen overzichtelijk. 

Gevolg hiervan is echter wel dat het voor de groep bovengemiddelde intelligenten steeds lastiger wordt om iets te vinden dat passend is. 
Meestal is het aanbod immers 'onder hun niveau'. Dat is niet neerbuigend bedoeld, dat is puur een manier van zeggen. 
Niveau zegt in dit geval iets over wat je aankunt. Dat heeft met meer te maken dan met het schoolniveau waarop je onderwijs kunt volgen. Het heeft ook te maken met wat je naast elkaar aankunt. 

De meeste mensen hebben een intelligentie die ze in staat stelt om 1 of hooguit 2 dingen tegelijkertijd goed te kunnen doen. Bijvoorbeeld: een gesprek voeren en aantekeningen maken. Of autorijden en de radio aan hebben staan. Of eten koken en met je kinderen praten. 
Dat voelt dan heel normaal en vanzelfsprekend. Je voelt je er goed bij. 

Er is echter ook een groep bovengemiddeld intelligente mensen die meer dan 2 dingen tegelijkertijd kunnen doen. Bijvoorbeeld: een gesprek voeren, aantekeningen maken en associaties noteren die naar boven komen en in gedachten nadenken over de lijn van het gesprek en herinneringen aan andere gesprekken er aan te koppelen. Of autorijden en een wetenschappelijk luisterboek aanzetten en ondertussen een vreemde route rijden met behulp van een kaart in je hoofd die je vantevoren al had opgeslagen. Of eten koken van een nieuw recept uit een kookboek en met je kinderen praten over levensbeschouwelijke thema's waarbij je put uit kennis die je opdeed tijdens je studie. 
Dat voelt dan heel normaal en vanzelfsprekend. Je voelt je er goed bij. 

Het voorbeeld maakt inzichtelijk dat de groep bovengemiddeld intelligente mensen meer aan kan tegelijkertijd dan de meeste mensen. Dat is voor deze groep hun normale levenswijze. 
Komen deze mensen in de maatschappij, waar de gemiddeld intelligente mensen het voor het zeggen hebben (en daar is niets mis mee!), dan zullen ze snel teleurgesteld raken over wat ze aantreffen. 

School heet dan saai, omdat er alleen maar informatie aangeboden wordt die ze op andere manieren ook al gehoord hadden en dus een herhaling biedt van wat ze al kennen. 
Werk biedt geen echte uitdaging, omdat het vaak taken betreft waar je nauwelijks bij na hoeft te denken en die je keer op keer herhaalt. (ook het herhalen van een factuur opstellen is een herhaling, ook het herhalen van een medische handeling is een herhaling)

Bovengemiddeld intelligente mensen zijn in staat om dit alles zich te realiseren. Ze houden er in het algemeen rekening mee dat ze meer aankunnen dan de meeste mensen en functioneren prima binnen het bestaande aanbod. 
Maar er is een groep die in toenemende mate last heeft van wat de maatschappij normaal vindt en gelukkig mee schijnt te zijn. 
Het gebrek aan uitdaging, de geringe prikkeling om meer te doen dan het gewone, maakt dat er een soort van gezapigheid ontstaat. 
En gezapigheid (herhaling van wat je al kent) maakt op de langere termijn diep ongelukkig. En als die ongelukkigheid lang genoeg duurt kan het zelfs een depressie worden. En als je op die route bent terechtgekomen gebeurt er iets geks. 
Ineens ben je ook niet meer in staat om meer aan te kunnen dan de gemiddelde mens. 
Je wordt als het ware een gemiddeld mens. 
En daarmee wordt volledig onzichtbaar wat je zou kunnen helpen.

Voor alle mensen is het gezond en goed om uitgedaagd te worden. Om het gevoel te krijgen dat je misschien wel iets meer kunt dan je aan het doen bent. Om de waardering te voelen die een geleverde prestatie je op kan leveren. 

In de huidige maatschappij laten we elkaar juist voortgaan op bekende paden. (Een letterlijk voorbeeld: doordat iedereen elke dag via dezelfde hoofdwegen naar het werk gaat rond dezelfde tijd, ontstaan er files.)
Terwijl het mogelijk niet alleen voor de bovengemiddelde mens, maar voor alle mensen goed zou zijn om ruimte te krijgen om nieuwe dingen te ontdekken, nieuwe mogelijkheden te onderzoeken, nieuwe manieren van zijn uit te proberen. 

Het zou mooi zijn als bovengemiddeld intelligente mensen elkaar zouden stimuleren om goede gedachten te delen en goede initiatieven te ondersteunen en elkaar daarin de weg te wijzen, zodat er meer mogelijkheden geboren kunnen worden voor bovengemiddeld intelligente mensen. 
En natuurlijk mogen alle mensen meedoen! 

vrijdag 13 november 2020

Een label? Nee, een handleiding!

Er is weer het nodige te doen over het fenomeen label. 
Het televisieprogramma de Monitor heeft besloten zich bezig te gaan houden met #Autisme en koos ervoor om ook experts aan het woord te laten die uitgesproken opvattingen hebben over hoe je tegen autisme aan moet kijken. 
Een van die deskundigen is een kinder- en jeugdpsychiater, werkzaam bij de GGZ in het midden van het land. (ik noem bewust geen namen, daar gaat het namelijk niet om, het gaat om het type denken)

Deze psychiater neemt als voorbeeld 'driftbuien' die 'het probleem' zouden zijn waarvoor ouders bij de GGZ aankloppen met de vraag 'heeft mijn kind autisme'. 
De opmerkingen van de psychiater blijken nogal stigmatiserend te zijn, door te bepalen dat het label dat 'gevraagd wordt' een vertroebeling geeft en het zicht op het echte probleem wegneemt. 

Hier heb ik een totaal andere visie op. 

Drie zoons heb ik, waarvan er één wegens 'driftbuien' en aanverwant gedrag al op de basisschool op het speciaal onderwijs terechtgekomen is, één halverwege de basisschool contact kreeg met de leerplichtambtenaar en Veilig Thuis en de politie, en één die door de basisschool richting ADHD diagnose gedreven werd. Ik kan dus duidelijk stellen dat ik ervaring heb met driftuitingen en ander ongewenst gedrag dat leidt tot reacties van de omgeving. 
Alledrie de zoons en ook ikzelf hebben een autismediagnose gekregen. 

Aanvankelijk leek me dat een wat overbodig label, aangezien ik exact wist wat er aan de hand was en ook welke oorzaken er voor aan te wijzen waren. Alledrie de zoons hadden te maken met spanningen in de thuissituatie, voorafgaand aan de scheiding van hun ouders. Alledrie de zoons hadden te maken met pestgedrag op de school waar ze zaten. Alledrie de zoons hebben moeite met onderscheiden tussen bewuste onrechtvaardige situaties en gebeurtenissen die onrechtvaardig uitpakken, maar niet zo bedoeld zijn. Alledrie de zoons reageren heftig als er teveel tegelijkertijd gebeurt. Of dat nu gaat om drie vragen tegelijk stellen ('Zet je je schoenen even in de gang? En neem dan ook gelijk je tas mee? En waar laat je je jas?' Of 'wat wil je drinken? en wil je er ook iets bij? Hoe was het eigenlijk op school vandaag?') of om een overdosis aan geluiden of indrukken in meer algemene zin. 

Omdat ik net zo'n hoofd heb als mijn zoons, zo'n hoofd dat vele denksporen tegelijkertijd aan heeft staan, maar er niet tegen kan als anderen diverse dingen tegelijkertijd op me afvuren (geluid is een heftige, tekst is ook een prikkel en inhoud van wat gezegd wordt kan al een derde prikkel opleveren wegens innerlijke associaties), snap ik vrij goed wat er gebeurt als mijn zoons 'ineens' ontploffen. Het is nooit 'ineens', het is altijd een aantoonbare samenloop van omstandigheden. 

Bijvoorbeeld de situatie dat je je ergens aan stoot terwijl je snel iets wou pakken dat je nodig had om op tijd de deur uit te kunnen en je je op dat moment ook net bedenkt dat iets ander essentieels ook nog van een andere plek tevoorschijn moet komen. Dan ontstaat 'kortsluiting' en kun je heftig tekeergaan over de relatief kleine gebeurtenis van je ergens aan stoten op een niet zo pijnlijke, maar wel afleidende manier. 
Of bijvoorbeeld de situatie dat je moe uit school komt en je direct weer de deur uit moet voor een afspraak bij een of andere hulpverlener, een afspraak die je vergeten was en die je dus overvalt. Ook dan kan 'kortsluiting' ontstaan en ineens een woedeuitbarsting volgen. Je had mogelijk ook nog honger en een te lage bloedsuikerspiegel, zonder je dat te realiseren. Of moest dringend naar het toilet, maar kwam er niet toe omdat je geacht werd gelijk mee te gaan naar de afspraak. 
Kleine dingen die opstapelen worden dan al snel grote dingen. 
En als kleine dingen grote dingen geworden zijn kan een laatste kleie ding het wankele evenwicht van de volle emmer verstoren en een golf eruit laten stromen die niet te stuiten is. 
Dat is de vermeende 'driftbui' die 'het echte probleem' is. Nee dus. De 'driftbui' is de overlopende emmer. Als de emmer leger was gebleven, had die ene druppel niet zo'n groot effect kunnen hebben.

Het willen indammen van driftbuien of kinderen om leren gaan met hun 'te korte lontje' zou in gevallen waar geen sprake is van autisme mogelijk een nuttige route zijn. Mogelijk, want in alle literatuur komt naar boven dat kinderen altijd vanuit een context bepaald gedrag vertonen en dat er niet zoiets is als 'onbegrepen gedrag', maar wel zoiets als 'gebrek aan kennis over bepaalde oorzaken van gedrag'. 
Zolang een probleem alleen bij de uitkomst aangepakt wordt, zal niets veranderen aan het ontstaan van dat probleem. 

Toen twee van mijn kinderen een diagnose autisme gekregen hadden, ging ik me uitvoerig verdiepen in wat er bekend was op dat moment over autisme. En die kennis vormde beetje bij beetje een heldere handleiding voor de omgang met mijn zoons en ook voor wat ik over hen kon zeggen aan anderen als ik hen wou verzekeren van een omgeving die goed zou reageren op hen, waardoor hun 'driftbuien' minder makkelijk zouden ontstaan. 
Het label had me de route gewezen naar dergelijke informatie. Voor hun diagnose had ik geen idee van wat autisme was. 

Toen kreeg ik zelf een diagnose en realiseerde me dat ik allang wist wat autisme is. En bood dat ook nog een verklaring voor mijn zeer natuurlijke omgang met mijn zoons en hun bijzondere gedrag, waar hun vader erge moeite had met 'aanvoelen' wat ze op een bepaald moment nodig hadden. 
Ik had ervaringskennis, ik kon me goed inleven in hun denkwijze, ik kon me levendig indenken hoe bepaalde dingen op hen over zouden kunnen komen, ik kon beetje bij beetje hen leren omgaan met hun woedeuitbarstingen en hen leren eerder door te krijgen dat er zo'n uitbarsting aan zat te komen en uiteindelijk leerden ze zelfs om al hulp te vragen ver voor er sprake was van een overstromende emmer. Beter de half gevulde emmer leren zien als waarschuwingsmoment dan wachten tot de laatste druppel gevallen was. 

Natuurlijk had dit alles zonder label ook gekund. 
Maar dankzij het label was de route die ik met hen moest bewandelen een stuk eenvoudiger en korter. Ik wist uit het woud van hulpverlening de focus te leggen op hen die verstand hadden van intelligente kinderen met autisme. Was die kennis er niet, dan zou de geboden hulp minder passend zijn, realiseerde ik me vrij snel. Het kwam telkens uit. 
Hulpverleners met vakkennis hadden een stijl van omgaan met mijn zoons die werkte. Ze boden eenduidige taal. Gaven concrete handvaten aan onderwijzend personeel. Legden uit dat bepaalde uitingen van mijn zoons niets brutaals of vijandigs of naargeestigs als intentie hadden, maar voortkwamen uit hun letterlijke denktrant. 
Hun sterke kanten werden ook door hen in beeld gebracht. Hun bijzondere gevoel voor humor, hun doorzettingsvermogen, hun originele denken, hun gezagsgetrouwheid, hun eerlijkheid. Allemaal zaken die ook negatief opgevat hadden kunnen worden, als het label ontbroken had. 
Gevoel voor humor kan gezien worden als botheid of ongevoeligheid.
Doorzettingsvermogen kan opgevat worden als drammerigheid en onverzettelijkheid of koppige halsstarrigheid. 
Origineel denken kan beschouwd worden als je niet willen voegen. 
Gezagsgetrouwheid kan bekeken worden als slaafsheid en een gebrek aan eigen initiatief. 
Eerlijkheid voelt snel als ongepaste brutaliteit of naargeestige wreedheid. 
Gelukkig was er het label, dat al die op het oog eveneens aanwezige kanten een nieuwe kleur konden geven die mijn zoons meer als opgroeiende jongens met een bijzondere ontwikkeling in beeld lieten komen en niet als gemankeerde slecht opgevoede driftkikkers. 
In de kern zijn alledrie mijn zoons vriendelijke zachtaardige jongens. Dat delen ze met hun moeder. (nou ja, ik ben geen jongen....)

Pas als ze het gevoel hebben niet de ruimte te krijgen om zichzelf te zijn en zich niet vrij voelen om met eigen oplossingen te komen voor situaties die ze moeilijk het hoofd kunnen bieden ontstaat er kortsluiting en kan hun uitingsvorm die van de kant van woede zijn. 
Mijn uitingsvorm ligt meer aan de kant van verdriet en angst. Woede werd mij als kind ook afgeleerd. Meisjes mogen helemaal niet laten zien dat er agressie in ze schuil kan gaan. 
Als ik een label had gehad had ik net als mijn zoons mijn natuurlijke neigingen niet hebben hoeven leren onderdrukken. 
Ik ben sinds ik dat label kreeg meer en meer aan het ontdekken dat mijn handleiding veel eenvoudiger is dan ik altijd meende. Ik was geen 'moeilijk mens', ik had gewoon autisme. 
Net zoals mijn zoons geen 'driftkikkers' zijn, maar jongens met een groot gevoel voor rechtvaardigheid en een overreactie op teveel prikkels. 

Handleidingen lezen we als het goed is. 
En daar doen we wat mee. 
Kinderen een label onthouden is hen willen begrijpen zonder de handleiding in te zien. 
Natuurlijk kan dat. 
Maar waarom zou je de moeilijke weg kiezen? 
Het label is niet het probleem, maar de driftige ijver om al die labels overboord te gooien zonder de maatschappij zo in te richten dat de handleidingen algemeen bekend kunnen zijn. 


zondag 18 oktober 2020

Alles in vertraging

Sinds bekend werd, in 2013, dat ik autisme heb (diagnose gekregen en daar onmiddellijk overal openheid over gegeven in mijn werkkring en sociale netwerk), is mijn leven een rollercoaster geworden. 
En ja, dan kan het even duren voor alle gevoelens die dat met zich meebrengt ook een plek krijgen in mijn bewuste denken. Veel was en is aan het rondhangen in mij, duikt af en toe op, dient zich aan, laat van zich horen, wil gezien worden, maakt stennis, doet alsof er niets aan de hand is, verstopt zich, verschuilt zich, vermomt zich of doet iets anders dat me energie kost, terwijl het bedoeld was als oplossende actie. 
Al die copingstrategieën die een mens opbouwt in zijn (haar) leven, kunnen behoorlijk tegen je gaan werken als je echt ergens mee te dealen hebt dat vraagt om adequate copingstrategieen. 
Want daar zit dus de angel van autisme. 

Voorheen dacht ik werkelijk dat ik goed omging met dingen die me overkwamen, zelfs als ik er overduidelijk enorm door van slag raakte of zelfs een ziekte (depressie) door ontwikkelde. Ik dacht namelijk altijd dat hoe ik het deed of niet deed te maken had met mijn incapabele inzet om ergens weer uit te komen. Ik moest gewoon beter mijn best doen, vond ik menigmaal. En als iedereen geneigd is in die trant adviezen aan te reiken ('ga wandelen, dat helpt tegen depressieve gevoelens', terwijl je al moeite hebt 's morgens kleren aan te trekken, juist vanwege die depressie) en je zelf de gewoonte hebt om alles wat iedereen je zegt serieus te nemen, zelfs als de spreker overduidelijk geen persoonlijke ervaring heeft en ook op andere gronden geen inhoudelijke kennis van de gegeven situatie, dan is het niet zo lastig te bedenken hoe ik met mijn eigen hoofd mijzelf eerder dieper in putten wierp dan wegen vond om er uit te klimmen, al dan niet met toegeworpen touwladders. 

Vandaag reed ik door een dorp waar ik in het verleden predikante was. Fulltime werkte ik daar. 
En ik realiseerde me vandaag ineens met een schok, dat vanaf het moment dat ik daar de veilige haven die ik gecreëerd had verlaten had, mijn leven beetje bij beetje afgebrokkeld is tot de situatie waarin ik geheel arbeidsongeschikt door het leven ga. Dat dat niet hetzelfde betekent als 'tot niets meer in staat' moge duidelijk zijn. Ik ben momenteel fulltime mantelzorger, ben parttime moeder voor een deel van mijn kinderen, die zelf ook een autismediagnose hebben en ik heb een hond. 
Maar goed, dat dorp waar ik doorheen reed bracht me ineens terug in de tijd. En het drong tot me door dat ik die baan die ik toen vervulde wel degelijk mis, als vast ijkpunt in mijn bestaan, als reden voor datzelfde bestaan, als daginvulling en voldoening gevende bezigheid in mijn bestaan en als (ja, toch wel) enig aanzien opleverende kant van mijn bestaan. Dat laatste, zo ontdekte ik, heb ik het diepste verstopt in mijzelf en het meest lopen ontkennen en het hardst lopen weerspreken tegen mezelf als het zich weer eens aandiende. 
En dat deed ik niet zomaar. 

Het hangt namelijk samen met de statusloosheid die ik verwierf door in mijn professionele en privé omgeving te melden dat ik autisme heb. Het gekke wat er gebeurt als je meldt dat je een diagnose hebt, is dat (de meeste?) mensen dan ineens anders naar je gaan kijken en alles wat je doet of laat gaan beoordelen in het licht van de hen bekend geworden diagnose. 

Ze zien en horen niet meer in eerste instantie de professional die je bent, maar ze horen, degene met een diagnose, die ook nog een professional zegt te zijn. (ja, zegt te zijn, want zelfs dat wordt plotseling in twijfel getrokken, al zal niemand dat hardop toegeven)
Kortom, sinds ik met diagnose verder leefde en zelf me ging bevrijden van ballast die ik opgebouwd had door diverse coping strategieën, was mijn hele omgeving in twijfel aan het trekken wat ze zagen en hoorden bij mij, wat mij weer op een ander type coping strategieën over liet gaan, zodat ik mijn omgeving wel kon blijven begrijpen. 
Dus dat ik me meer en meer buitengesloten voelde worden, negeerde ik (handige coping strategie: ontkennen wat je waarneemt) of ging ik verklaren (handige coping strategie: redenen verzinnen waarom iets is zoals het is) en door dat te doen schoot ik weer terug in mijn oude denken van voor de diagnose.

Terug naar vandaag. 
Ik realiseerde me dat ik het gemis aan status een pijnlijk gemis vind, waar ik nog onvoldoende om gerouwd heb. Dat ik die rouw wegduw of uitstel is omdat ik in mijn denken eigenlijk geen ruimte wil geven aan de waarheid van dat gemis. Het zou niet zo moeten zijn dat ik status verloor, zuiver en alleen door een diagnose die iets verklaart dat volkomen losstaat van hoe ik functioneerde als predikante. Het had en heeft met name in mijn privéleven gevolgen dat ik autisme heb, nooit had het dat tijdens opleidingen, stages of werkjaren. Geen mens heeft ooit er blijk van gegeven dat ze vonden dat mijn nauwgezetheid en accuraatheid en creatieve inslag en positieve levenshouding en kennis van zaken typisch trekjes waren die bij autisme horen, laat staan dat ze het als storende eigenaardigheden van mij zouden betitelen. Integendeel! 
Slechts in privé situaties loop ik keihard tegen mijn autisme aan. Al is het maar omdat ik oneindig veel bijkomtijd nodig heb na een geleverde inspanning in de buitenwereld. 

Rouwen om wat je als onrecht ervaart is ingewikkeld, omdat rouw verdriet met zich meebrengt en onrecht ervaren vooral woede losroept. Woede en verdriet combineren slecht bij mij, waardoor ik dan de neiging krijg beide weg te duwen en te negeren als opties. 
Met als gevolg een enorme bitterheid, zodra ik woorden poog te geven aan deze vorm van uitgestelde rouw. 

Natuurlijk, status is niet werkelijk van belang om een zinvol bestaan te kunnen leiden. Het kan prima zonder. 
Maar als je vanuit die status serieus genomen wordt en zonder die status niet in staat lijkt te zijn om zelfs maar een plek te vinden om gehoord te worden, laat staan serieus genomen te worden als gesprekspartner die inhoud heeft, dan is het toch wel echt ingewikkeld. 
Rouw is hard werken. 
Rouw die al vele jaren weggeduwd is ervaren is helemaal hard werken. 
Toch lijkt het zinvol woorden te zoeken om juist deze rouw met de wereld te delen. 
Niet om medelijden te krijgen of zelfs maar medeleven, maar om mensen wakker te schudden over hun eigen reactie op andermans diagnose. 

Ik werd niet een ander persoon. 
Ik kreeg een diagnose. 
En de wereld veranderde. 
En de diagnose werd meer en meer waar. 
En ik werd alsnog een ander persoon. 
In de ogen van de wereld. 

 

woensdag 23 september 2020

Vluchten kan niet meer

De wereld is in tien, twintig jaar tijd veranderd van een menselijke maat naar een maat waar mensen als probleem ervaren worden. Spullen zijn essentieel geworden om in contact te blijven met onze medemensen. Immers, iedereen is druk of wegens Coronatijd thuis en niet in staat of bereid tot fysieke ontmoetingen. We bellen, we mailen, we appen, we skypen, we doen wat we kunnen, via apparaten die we daarvoor in bezit hebben of speciaal aanschaffen, om tenminste bij de tijd te blijven. 
Zonder mobiele telefoon of tablet of laptop of computer ben je in de hedendaagse maatschappij geen knip voor de neus meer waard, tel je niet meer mee, doe je niet meer mee, besta je in feite niet eens. 
Schrijven met de hand wordt verleerd en handschriften gaan hollend achteruit, omdat het enige briefje dat nog weleens geschreven wordt de notitie van de wificode bevat opdat je in kunt loggen op het systeem dat je mogelijk maakt om je apparaat probleemloos te gebruiken. 

Ik heb een nieuwe telefoon en nieuwe laptop aangeschaft. Het aanschaffen verliep digitaal. Het ontvangen ervan kon binnen een dag. De bezorger was de enige persoon die ik zag die me hielp aan deze nieuwe apparatuur. Om mijn apparaten in gebruik te nemen moest ik een aantal handelingen verrichten die ik uitstelde ,omdat ik vreesde dat ik dat wellicht niet probleemloos voor elkaar zou kunnen krijgen, aangezien de techniek voortschrijdt en mijn kennis niet navenant mee ontwikkelde. 
Gelukkig heb ik een zoon die van na 2000 stamt en dus niet beter weet dan dat mensen contact met elkaar onderhouden via apparaten die ze meenemen overal naartoe. Hij kon me assisteren en ik ontdekte dat ik niet, zoals ik meende, mijn simkaart (ik vraag dit woord aan mijn partner, omdat het juiste woord me ontschoot, zoals ik ook het woord wificode niet paraat had en hij gelukkig wel) eerst moest verwisselen alvorens mijn apparaat in gebruik te kunnen nemen, maar alles in gereedheid kon brengen en dan als laatste handeling de simkaart kon vervangen. 
Om dergelijke dingen te kunnen doen heb ik enige mentale rust nodig, zodat mijn handen doen wat ik wil en ik niet vanuit overprikkeldheid onhandig doe en dingen niet voor elkaar krijg die de fijne motoriek aanspreken. 
Inmiddels ben ik ook zover dat ik mijn nieuwe laptop in gebruik ben gaan nemen. Bestanden overzetten van het oude apparaat, dat ik al zeker een jaar of acht en vermoedelijk zelfs tien jaar in bezit heb, ben ik nog niet aan toegekomen. Een handeling die wederom aandacht vraagt, omdat ik dit keer niet, zoals ik pakweg tien jaar geleden nog gewend was, eenvoudigweg alle bestanden die er opstaan mee wil nemen naar het nieuwe apparaat. 
Vroeger, pakweg tien jaar geleden, leefde ik nog met het gevoel dat bij overstappen naar nieuwe apparatuur je alles meeneemt wat op het oude apparaat terechtgekomen was. Inmiddels weet ik beter, je kunt ervoor kiezen om selectief te zijn. Je kunt ervoor kiezen om dingen achter je te laten en er nooit meer naar te kijken, zeker nu ik de afgelopen tien jaar al die toen overgezette bestanden maar zeer minimaal tot helemaal niet heb geopend. Ervaringskennis helpt soms bij het wennen aan nieuwe apparaten. Geen overbodige ballast meesjouwen. Geen dingen overhevelen die puur ruimte vullen. 
In de vaart der volkeren is er slechts één route mogelijk: voorwaarts. En wie vooruit wil moet soms het nodige achter zich laten. 

Overigens - geheel terzijde - wisten jullie dat je nog steeds, zoals toen computers in opkomst waren, accenten op letters kunt laten verschijnen door de alttoets in te drukken en een code in te tikken op je numerieke bord? Ik tikte net één en gebruikte daarvoor de code 130 die ik in mijn geheugen gegrift heb omdat ik dat zo handig vind, accenten zetten zonder na te hoeven denken over welke knoppen ik daarvoor nodig heb. Zo ken ik ook 137 als een handige en 129. En er zijn er nog heel wat meer die me makkelijker overkomen dan zoeken waar dat trema zich nou bevindt. 

De veranderingen die deze maatschappij als vanzelfsprekend en normaal is gaan beschouwen zetten steeds meer mensen op achterstand. Achterstand, niet omdat ze niet intelligent zouden zijn, maar omdat ze het nut niet direct inzien van verandering, in het volle besef dat niet elke verandering een verbetering is. Het is duizenden jaren mogelijk geweest om mondeling met elkaar te communiceren, om informatie rechtstreeks uit te wisselen door je eigen mond te gebruiken en je eigen tekst daar uit te laten rollen. Tegenwoordig is dat steeds ongebruikelijker. We zijn gaan praten in formats, in sjablonen, in jargon. En we digitaliseren die woorden, zodat we er niet meer elke keer over na hoeven te denken. 
Vandaag had ik een man aan de telefoon die zijn voorgeprogrammeerde zinnen over me uitstortte. Het was een goed script, het klonk echt en bijna alsof het een echt gesprek was dat we voerden. Ik hoefde slechts te hummen of te ja en nee-en om hem verder te laten praten. Op enig moment gaf ik een reactie die niet in zijn script stond, ik zei dat mijn partner kanker heeft. Ik had geluk, ik trof een creatieve snel denkende beller die in staat bleek een ander script aan te laten springen in zijn hoofd en in te gaan op wat ik zojuist gezegd had, met nuttige invlechting van het script dat hij over me aan het uitstorten was. Hij begreep zowaar dat zijn script van vragen om een grotere bijdrage dan ik al geef aan het goede doel waar hij voor werkt (N.B. hij belde namens Amnesty International en sprak over mensenrechten), niet passend was gezien de huidige omstandigheden. Dat bevestigde ik. Ik had het gesprek al zodra ik opnam in die richting willen sturen, namelijk dat ik geen extra gift ging geven, maar het script had dat niet toegestaan, waardoor we alsnog in een zogenaamd gesprek terechtkwamen. 
Dit type gesprek is tegenwoordig eenvoudiger te voeren dan een werkelijk gesprek van hart tot hart, van ziel tot ziel. Het was al een mirakel dat deze man nog iets van eigen ervaringen benutte in zijn reactie op mijn mededeling. 

De voorgeprogrammeerde teksten, de taalvereenvoudiging, we zijn er zo aan gewend geraakt dat we onmiddellijk het spoor bijster raken als mensen onverwachte dingen doen of zeggen. Het onverwachte, het onvoorspelbare, het wordt bij voorkeur uitgebannen, puur en alleen omdat het onvoorspelbaar is en onverwacht. Terwijl door die stijl van communicatie, die sfeer van 'wat we besloten hebben is goed, omdat we dat besloten hebben', we alle spontaniteit en speelsheid eveneens uitbannen uit de communicatie. 
Mensen zijn niet langer de maat. De maat is veranderd in een ritmisch gebruik van vaststaande trillingen die verwachte reacties teweegbrengen waar we allen ons voordeel mee kunnen doen omdat het de wereld van verplichte abonnementen, noodzakelijk voor het gebruik van onze communicatiemiddelen, ermee in stand kunnen houden en mensen tot uitgaven kunnen aanzetten die ze spontaan nooit bedacht zouden hebben en zeker niet zo als vanzelfsprekend aanvaard zouden hebben als nu het geval is. 

De wereld is veranderd. De mens is er bijna uit verdwenen. 
En het ziet er niet naar uit dat de mens er eenvoudig weer in terug kan keren en een plek kan vinden als schepsel temidden van flora en fauna die ons voedt. De digitale wereld laat alles echter lijken en beter klinken en schoner overkomen dan wat we om ons heen aantreffen als we onverhoopt toch het pand verlaten en op pad gaan naar een medemens. Echte mensen maken rommel, vergeten dingen, raken vermoeid, doen dingen onhandig, maken fouten en zijn zeker niet de perfecte wezens die de digitale wereld ons voorschotelt via Netflix en andere bronnen die nog mensen in hun menselijke gedaante aan ons vertonen. De wereld is de wereld niet meer. De wereld is vergeven van wat we niet nodig hebben en gevuld met de resten van wat we niet meer willen bezitten en doordrenkt van wat we vergeten dat door ons veroorzaakt werd. 
Vluchten kan niet meer. 
Er is geen andere wereld dan deze. Er zijn geen andere mensen dan de mensen die er zijn. Nieuwe doen immers direct mee in wat ze aantreffen en zullen niet zo eenvoudig als mijn generatie ontdekken wat reflectie kan betekenen en hoe analyse van het eigen denken het leven positief kan beïnvloeden. En hoe interactie zonder protocollen of scripts bevrijdend en verfrissend is en de ziel koestert zonder de geest uit het oog te verliezen. 

dinsdag 23 juni 2020

Vermoeidheid, het houdt nooit op.......

Lang heb ik in mijn leven gedacht dat ik tamelijk lui van aard ben. Na een tijd ging ik dat woord vervangen door het vriendelijker klinkende gemakzuchtig. Maar inmiddels ben ik er achter dat die vermeende labels geen van beide weergeven waarom ik meende dat ze van toepassing waren.

Als ik dingen niet deed in mijn leven, opdrachten niet uitvoerde, spullen niet opruimde, afwas liet groeien, administratie opstapelde, dan was ik altijd van mening dat ik maar een lui mens ben, iemand die de kantjes er vanaf loopt. Want zo had ik het altijd meegekregen in films, boeken, en in gesprekken die mensen voeren over dergelijk gedrag.
Als ik tegelijkertijd wel degelijk in staat bleek mijn schooltaken te vervullen of mijn studiepunten te halen of mijn werkzaamheden tot een goed einde te brengen, dan was dat in mijn hoofd vanzelfsprekende plichtsgetrouwheid die volkomen los bestond van de luiheid die ik mezelf ook toeschreef.

Toen kwam ik in een burnout terecht en vielen alle dingen die ik voorheen wel degelijk was blijven doen, geheel weg. Ik werkte niet meer, ik hing slechts rond in mijn bestaan en kon amper mijzelf en mijn kinderen verzorgen. Totaal uitgeput was ik.
De afwas doen werd een klus om de dag door te komen. Ik was blij als het niet zover groeide dat ik eerst moest afwassen voor ik kon koken. Dat was dan een hele prestatie die ik geleverd had en ik was best trots op mijzelf, ook al bleef een stemmetje van binnen iets over luiheid mompelen.

In de periode dat de burnout wat draaglijker werd en er licht herstel begon op te treden, doordat ik alles wat niet strikt noodzakelijk was (ook sociale contacten vielen daaronder) geschrapt had, kwam er meer ruimte om weer wat dingen te gaan doen. En ik merkte dat werken met mijn handen langzaamaan steeds beter ging.

Door die periode begon ik ook na te denken over die vermeende luiheid van mij. Die zogenaamde gemakzuchtigheid.
En beetje bij beetje drong het tot me door dat het dat niet is.
Het is ten diepste een oneindige vermoeidheid. Het type vermoeidheid dat je niet meer zo betitelt, omdat het je dagelijkse stand van zaken is en je niet anders weet dan dat je moe bent. Dat je vanwege vermoeidheid niet komt tot taken die enige energie vergen omdat ze niet de dagelijkse routine vormen, al keren ze met grote regelmaat terug, is een besef dat langzaam, heel langzaam binnensijpelde.

Ik ben niet lui, ik ben doodmoe!
En die chronische vermoeidheid maakt dat klussen die me niet automatisch afgaan (studeren en werk ging wel degelijk automatisch, omdat nadenken mij altijd enorm veel voldoening en energie geeft) blijven liggen. Niet omdat ik er te lui voor ben of te gemakzuchtig, maar omdat ik van alles wat ik wel doe in mijn leven zo moe word, dat ik bij moet komen en uit moet rusten en niet de tijd kan benutten om nuttige taken die een huis op orde houden te vervullen.

Dat vermoeidheid niet vanzelfsprekend is moge duidelijk zijn.
Ik heb lichamelijke oorzaken voor de vermoeidheid. Te weten astma, dat erg reageert op het weer, en een chronisch vitamine B12 tekort, dat mijn hersenpan in verlamming laat schieten en me bij vlagen het denken vrijwel onmogelijk maakt, laat staan het schakelen tussen taken.

En alsof dat nog niet genoeg is ben ik ook nog gezegend met autisme. Een remmende factor op mijn lichaam en geest, die me in het gareel houdt als ik voor de troepen uit wil snellen en wegen in wil slaan die absoluut vermoeidheid op zullen leveren. Dan is er de onbewuste rem, die ik zo lang duidde als 'luiheid'. Nee, geen luiheid, autisme!